De Rubens- en Van Dyckzalen zijn gebouwd om indruk te maken. Alles aan de zalen is extra large. Zelfs voor een museumgebouw waarin wel meer zalen groots zijn aangepakt. Denk maar aan de marmeren trapzaal met 39 schilderijen van Nicaise De Keyser. Of de groene galerijen ooit bedoeld voor werken van het academisch kunstenaarscorps. En toch, als we het hebben over de grandeur van ons museumgebouw belichamen vooral de Rubens- en de kleinere Van Dyckzaal dat woord, grandeur. Hoe komt dat?

Imponeren in vijf stappen

Dat zit in de schaal. De Rubenszaal meet 29 meter in lengte, is 12 meter breed en 15 meter hoog. De breedte en hoogte van de achterliggende Van Dyckzaal zijn uiteraard gelijk, de lengte daarentegen is iets meer dan de helft van de Rubenszaal.

Dat zit in de afwerking. Waar de oorspronkelijke architecten heel bewust kozen voor een redelijk sobere afwerking in de meeste museumzalen, gingen ze in de Rubens- en Van Dyckzalen voluit. Een voleiken lambrisering zien we nog wel terug in de andere historische zalen. Versierde kroonlijsten in reliëf met gouddecoratie niet.

Afwerking met ‘goud’, of toch aluminiumblad en gekleurde vernis. - Foto: Karin Borghouts

Dat zit in hun locatie. De zalen zijn het kloppend hart van het museum. Ze zitten in het midden van het midden van het gebouw, op alle assen, zowel voor wie in het museum staat als op een plattegrond en op doorsnedetekeningen. Andere zalen kan je overslaan, de Rubens- en Van Dyckzalen zijn het begin- en/of eindpunt van elk bezoek aan de historische bovenzalen. Zelfs als je ze niet betreedt.

Doorsnede van het museum

Dat zit in de getoonde collectiestukken. We tonen hier grote altaarstukken van vooral Rubens, Van Dyck en Jordaens, de golden boys van de Antwerpse barok. Als je bedenkt dat De aanbidding door de koningen van Rubens 4,5 meter hoog is, weet je dat dit werk niet zomaar overal past.

Dat zit in de emotie. Bij de bouw van het museum zijn het Rubens, Van Dyck en Jordaens de grote schildershelden waar het jonge België, en dus ook Antwerpen, graag mee uitpakt. Een grote portie nationale en Antwerpse trots zit verweven in de conceptie van de zalen. Misschien voelen we vandaag niet meer exact diezelfde emoties. Toch geeft het samenspel van architectuur, afwerking een collectiestukken een heel specifieke sfeer die we nergens anders in het museum terugvinden.

Terug naar de oorsprong

KAAN Architecten koos voor de aanpak van de 19de-eeuwse zalen resoluut voor het terugbrengen van die grandeur. Dankzij de minutieuze restauratie van parket, houtwerk, kroonlijsten is de afwerking van weleer helemaal terug. Voeg daar een uitgekiende muurkleur aan toe. En sinds kort ook opnieuw de kunstwerken. Onze grote altaarstukken kunnen alleen niet zomaar door een deur. De Rubenszaal herbergt nóg een bijzonderheid: luiken die de zaal verbinden met het depot. Een ingenieuze vondst van de oorspronkelijke architecten Jean Jacques Winders en Frans Van Dijk. Bedoeld om in geval van calamiteiten – of grootse verbouwingen – de collectiestukken in veiligheid te kunnen brengen. En…om ze terug op zaal te brengen.

In 2013 gebruikten we de historische sleuven om de altaarstukken in het depot te takelen. In 2022 deden we de omgekeerde beweging. - Foto Karin Borghouts
Foto Wouter Bollaerts

Vroeger en nu

We spreken van terugkeren, maar klopt dat wel? Zal je als bezoeker de zalen en de kunstwerken wel herkennen? Ja en nee. De altaarstukken van Rubens, Jordaens en Van Dyck kunnen zoals gezegd niet meteen elders in het museum gehangen worden. Bovendien eren we graag de intenties van de oorspronkelijke architecten. Er zijn wel verschillen met de periode voor sluiting in 2011. Zo is ons kroonjuweel van Rubens, De aanbidding door de koningen, van plek gewisseld. De koningen hangen nu meteen in het zicht als je de zaal betreedt, op de centrale ereplaats.

 

De aanbidding door de koningen, van zijwand...
... naar ereplaats. - Foto’s archief KMSKA en Karin Borghouts

De werken hangen hoger dan voorheen. Waar ze vroeger net boven de lambrisering uitstaken, zijn ze nu hoger geplaatst. Dat is vergelijkbaar met hun positie boven altaars in de kerken. Zo kloppen de zichtlijnen beter. Met de nieuwe individuele belichting per kunstwerk kunnen we bovendien nog beter de nadruk leggen op de bijzonderheden van deze stukken.

Er hangen minder werken. We tonen niet meer alle verschillende variaties op één thema, we kiezen voor hét meest representatieve topstuk. Sommige werken die eerder in de Rubenszaal hingen, zoals Venus frigida, krijgen elders een plek. Venus frigida is geen altaarstuk en past beter in zaal Levenslessen. En zo blijft de focus in de Rubens- en Van Dyckzalen helder.

Schilderij Venus Frigida van Peter Paul Rubens
Met zijn mythologische thematiek past Venus frigida van Rubens beter in zaal Levenslessen dan tussen de altaarstukken

En er is een naamswissel. We doopten de Van Dyckzaal om tot Zaal Heilig. Ze is dan ook gevuld met…heiligen.

Altaarstukken in een museum?

Het lijkt allemaal vanzelfsprekend. De architecten Winders en Van Dijk ontwierpen twee zalen om altaarstukken in de beste omstandigheden te tonen. KAAN Architecten laat de zalen restaureren zodat de intenties van het eerste duo architecten eer wordt aangedaan. Maar…altaarstukken in een museum? Waar komen die werken eigenlijk vandaan en hoe kwamen ze tot bij ons?

Retourticket naar Parijs en terug

Met de overwinning van de Fransen in de slag bij Fleurus in 1794 komen de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk, waaronder Antwerpen. Waar leider Napoleon geen grote fan van kerken en kloosters is, kan hij hun kunstschatten wel appreciëren. De religieuze gebouwen laat hij sluiten, de altaarstukken brengt hij over naar Parijs. In vele kerken hadden ook rijke burgers en gilden een altaarstuk of kunstwerk in een grafkapel. Wie de opdrachtgever ook was, alles past in het nieuwe Musée Central des arts dat Napoleon inricht in het Louvre. Het rijk van Napoleon is geen lang leven beschoren, en in 1815 is zijn liedje uitgezongen. Dat betekent dat de geroofde werken kunnen terugkomen!

Minderbroedersklooster
Het afgeschafte Minderbroedersklooster wordt de thuishaven voor de Antwerpse Academie en het bijbehorende museum mét geroofde altaarstukken.

In 1816 is het zover, bijna 50 geroofde kunstwerken keren terug naar Antwerpen, waar ze feestelijk onthaald worden. De werken gaan eerst naar het Academiemuseum, dat Napoleon nog in 1810 liet installeren in het afgeschafte minderbroedersklooster in de Mutsaardstraat. Hier kan het publiek hen komen bekijken. Waar mogelijk vertrekken ze daarna naar hun oorspronkelijke kerk, zoals de Kathedraal. 27 stukken blijven achter in het Academiemuseum. Hun oude thuishaven verdween.

Een nieuw museum volgens de laatste trends

De Academie en de stad laten vanaf dan het museum met de regelmaat van de klok verbouwen of opknappen. Al die ingrepen kunnen niet verstoppen dat het Academiemuseum te klein en niet veilig genoeg is om al die kunstschatten te blijven bewaren. De stad besluit, met steun van de staat, een nieuw museum te bouwen.

Als de architecten Jean Jacques Winders en Frans Van Dijk in 1882 officieel de opdracht krijgen om samen een nieuw museum te ontwerpen, gaan ze niet over één nacht ijs. Om zich volledig in te werken in de kunst van het museum bouwen, doen ze verschillende Europese musea aan. Net gebouwd, of nog in de stijgers, dat maakt niet zoveel uit. De heren reizen naar Berlijn, Dresden, Frankfurt, München, Kassel en Wenen. In Amsterdam krijgen ze een rondleiding op de werf van het Rijksmuseum door de architect, Pierre Cuypers.

Moluren Rubenszaal
Ontwerp voor de kroonlijsten van het KMSKA, geïnspireerd op bezoeken aan Europese musea - archief KMSKA

Winders en Van Dijk vergelijken zaalkleuren, verhoudingen van ruimtes, verwarmingssystemen en lichtinval van de buitenlandse musea. Op basis van hun bevindingen passen ze hun eigen plannen ietwat aan. Waar de architecten absoluut van overtuigd zijn is dat het museum een gesamtkunstwerk moet zijn, een samenspel van alle kunsten. Op de gevel komen beelden, en binnen moeten het interieur en de kunstwerken één geheel vormen. En waar is dat meer het geval dan in de Rubenszaal en Zaal Heilig?

Restauratie op zaal

Sommige kleinere altaarstukken, zoals de zogenaamde Rockoxtriptiek konden we reeds restaureren in het restauratieatelier. De grote altaarstukken vertoefden echter in het depot in het museum. We konden ze niet verhuizen, en dus ook niet waar nodig restaureren. Dat zullen we in de toekomst nog doen, en wel in de zalen zelf. Het verhaal van de Rubenszaal en de Zaal Heilig is dus nog niet helemaal geschreven…