In aanloop naar de heropening in 2022 onderzocht het KMSKA zijn koloniale banden. In het bijzonder bekeek het museum de financiering vanuit Congo en de mensenzoo op het museumplein. Daarnaast brachten we enkele koloniale verhaallijnen binnen de verzameling in kaart. We vatten hieronder de voornaamste bevindingen samen en verduidelijken onze ambities voor de toekomst.

Koloniale financiering

In de zomer van 2020 projecteerde een actiegroep ‘Paid for with Congolese blood’ op het museumgebouw. Dit was voor ons een uitnodiging om de koloniale financiering van het KMSKA onder de loep te nemen. We onderzochten zowel het gebouw als de collectie. Onze bevindingen spreken een koloniale bekostiging van het museumgebouw tegen. We konden deze wel in beperkte mate blootleggen voor de collectie.

Gebouw met bloedgeld

Leopold II gebruikte grote sommen geld uit Congo voor de financiering van bouwwerken in België. De afgelopen jaren groeide de publieke bewustwording rond dit fenomeen. Een gekend voorbeeld is het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren, nu ook bekend als het AfricaMuseum. Dit werd onder rechtstreekse impuls van Leopold II gebouwd met fondsen uit Congo-Vrijstaat.

De indruk leeft dat het KMSKA een gelijkaardige ontstaansgeschiedenis kent. Dit blijkt niet het geval te zijn. De stad Antwerpen en de Belgische staat verdeelden de benodigde 2 miljoen Belgische Frank voor de bouw van het museum gelijk. De chronologie van het project impliceert dat de stad en de staat deze middelen op hun beurt niet uit Congo haalden.

De bouw van het museum werd goedgekeurd in 1875 en begon in 1884. Het gebouw werd opgeleverd in 1890. Congo-Vrijstaat werd reeds opgericht in 1885, maar de kolonie genereerde pas inkomsten voor de Belgische bezetter nadat de vraag naar rubber steeg rond 1895. Leopold II en kroonprins Boudewijn kregen een preview van het nieuwe museum op 25 juli 1890. De vorst was op dat moment al verantwoordelijk voor de brutale onderdrukking in Congo, maar de kolonie had hem nog geen grote winsten opgebracht. Ter vergelijking: het eerste museumgebouw in Tervuren dateert van 1897 en er kwam een groter complex in 1908-10.

Koloniale schenkingen voor de collectie?

De Belgische bezetter zag Congo als een wingewest en probeerde zo veel mogelijk rijkdom uit de kolonie te onttrekken. Hierdoor behoorden Belgische koloniale ondernemingen tot de meest winstgevende bedrijven ter wereld, terwijl Congo werd opgezadeld met een zware erfenis. Leopold II betrok Antwerpse ondernemers van meet af aan bij het koloniale project. Ze deelden bijgevolg vroeg in de winst.

De museumverzameling groeide tussen 1815 en vandaag van 241 naar 5.500 objecten via schenkingen, legaten en aankopen. Met 1.742 stuks zijn schenkingen en legaten goed voor een collectiegroei van zo’n 39%. Onder onze schenkers vinden we enkele families met gekende koloniale banden, zoals bijvoorbeeld Osterrieth, Grisar en Franck. In samenwerking met een team van experts evalueerden we welke individuele schenkers politiek actief waren in Congo of koloniale handel dreven vóór ze werken aan het KMSKA nalieten.

Niet alle leden van de aangehaalde families kunnen met Congo in verband gebracht worden. François Franck, die 27 werken aan het museum schonk, was actief in antiek en binnenhuisinrichting. Ook hadden de genoemde families vaak al een fortuin voor het begin van de koloniale periode. Dit stelde Felix Grisar bijvoorbeeld in staat om twee schilderijen te schenken in 1879, nog voor de oprichting van Congo-Vrijstaat.

57 werken van achttien verschillende schenkers werden mogelijk tot waarschijnlijk gefinancierd met koloniaal geld. Dit komt neer op 3.3% van alle schenkingen. De grootste groep zijn de zestien werken die Arthur Van Den Nest schonk na 1895. Van Den Nest was een Antwerpse toppoliticus en voorzitter van Anglo-Belgian India Rubber Company (ABIR). Dat bedrijf was een grote speler in de rubberontginning, had nauwe banden met Leopold II en gebruikte dwangarbeid en geweld in Congo.

Het KMSKA gesubsidieerd door Congo?

Het KMSKA, vandaag een verzelfstandigd agentschap binnen de Vlaamse overheid, was een Belgische instelling tijdens de koloniale periode. Bestuurlijk viel het museum eerst onder het ministerie van Kunsten en Wetenschappen (1890-32) en later Openbaar Onderwijs (1932-60).  Tussen 1890 en 1960 kocht het museum 1.797 werken aan via overheidsbudgetten. Bovendien was het personeel van 1930 tot 1960 ambtenaar voor de Belgische staat.

De Congolese staatskas financierde rechtsreeks enkele Belgische koloniale instellingen tijdens de periode Belgisch Congo (1908-1960), zoals het KMMA, het Ministerie van Kolonieën, de Koloniale Hogeschool en het Tropisch Instituut. Andere federale instellingen zoals het KMSKA kregen subsidies vanuit de Belgische staatskas.

Hoewel het gewicht van de koloniale activiteit op de Belgische staatskas moeilijk te kwantificeren is, suggereert de huidige stand van het onderzoek dat we dit niet moeten overschatten. Berekeningen in aanloop naar de Congolese onafhankelijkheid raamden het koloniale aandeel binnen de Belgische belastinginkomsten op 3.6%. Het wordt algemeen aangenomen dat de grootste koloniale winsten naar banken, bedrijven en privéfortuinen vloeiden. De aankoop van werken voor het KMSKA werd dus mogelijk gefinancierd met geld uit Congo via subsidies, maar slechts beperkt.

Mensenzoo op het museumplein

Het volgende deel bespreekt een donkere bladzijde in de geschiedenis van het museumplein: de mensenzoo die deel uitmaakte van de Wereldtentoonstelling van 1894. Hier werden 144 mensen uit Congo tentoongesteld, waarvan er zeven het leven lieten. De Wereldtentoonstelling en de rol van het KMSKA hierin worden achtereenvolgens toegelicht

Voorgeschiedenis

In de tweede helft van negentiende eeuw waren wereldtentoonstellingen een internationaal fenomeen. In verschillende Europese landen vierden ze industrialisering en internationale handel, die vaak gepaard ging met imperialisme en kolonisatie. Deelnemende landen prijkten hun verdiensten in verschillende secties.

België was tussen 1885 en 1958 het gastland voor elf wereldtentoonstellingen, waarvan er drie in Antwerpen doorgingen. De Antwerpse edities van 1885 en 1894 vonden plaats op het Zuid. Deze wijk is vandaag een wezenlijk deel van de stad, maar was toen nog in volle ontwikkeling. Het nieuwe stadsdeel werd met de wereldtentoonstellingen in de verf werd gezet. Een speciaal opgerichte NV die nauwe banden had met het Antwerpse zakenleven en stadsbestuur was verantwoordelijk voor de organisatie.

De eerste Antwerpse wereldtentoonstelling vond plaats in 1885, het jaar waarin Congo-Vrijstaat werd opgericht. Medewerkers van Leopold II grepen het evenement meteen aan als propagandamiddel. In de grote centrale tentoonstellingshal maakte men investeerders warm met het vertoon van grondstoffen uit Congo. Het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap (KAGA) richtte een afzonderlijk Congopaviljoen in. De vereniging was gesticht op aansporen van Leopold II en toonde er veelal geroofde Congolese objecten. Het paviljoen stond op de Vlaamse Kaai, ter hoogte van de Waterpoort.

Buiten voor het Congopaviljoen liet het KAGA een impressie van een hut bouwen. Twaalf Congolezen werden overgebracht om hierbij te poseren voor een westers publiek. Mensenzoos, waarin ‘de ander’ als object werd tentoongesteld, kenden een langere traditie. Sinds de edities in Parijs (1878), Amsterdam (1883) en Antwerpen (1885) werden ze een vast onderdeel van wereldtoonstellingen. Niet-westerse volkeren werden hier gedehumaniseerd en in een primitief kader geplaatst. Met deze strategie legitimeerde het Westen zijn kolonisatiepraktijken. Het Congopaviljoen lokte in 1885 tot wel 15.000 bezoekers per dag.

KMSKA op plattegrond expo 1894
Fig. 1 – Detail uit de plattegrond van de Wereldtentoonstelling van 1884 met de omgeving van het KMSKA - C.H. Bertels, Stadsarchief Antwerpen.

Wereldtentoonstelling van 1894

In 1894 organiseerde Antwerpen opnieuw een wereldtentoonstelling. Het bestuur van Congo-Vrijstaat richtte de koloniale sectie in. De kolonie was op dat moment op de rand van bankroet. Leopold II en zijn medewerkers grepen de wereldtentoonstelling aan om het blazoen op te poetsen en propaganda te voeren voor het project. De vergrote koloniale sectie bestond uit een Congopaviljoen, een diorama en een nagebouwd Congolees dorp. En dat allemaal op het plein voor het KMSKA, nu Leopold de Waelplaats.

Het monumentale Congopaviljoen (fig. 1, no. 116) bood een brede kijk op de koloniale activiteiten. De bezoeker vond er onder meer Congolese kunst- en gebruiksvoorwerpen, promotie voor koloniaal handelswaar en werk van hedendaagse Belgische kunstenaars in Congolees ivoor. Een diorama (no. 117) dompelde bezoekers onder in vergezichten op Congo, geschilderd door Henri Langerock (1830-1915). Hier vertelden de organisatoren dat Congo door Leopold II bevrijd werd van het juk van de Arabieren, een narratief dat de Belgische staat lang zou promoten.

Deze keer geen enkele hut voor het Congopaviljoen, maar een heus ‘dorp’  (no. 115) waarvoor 144 Congolezen overgebracht werden als tentoonstellingsobject. Overdag moesten ze activiteiten uitvoeren voor het oog van bezoekers zoals mandenvlechten, metaalbewerking, musiceren, beeldsnijden. ’s Nachts sliepen ze in militaire barakken. Dit was mensonterend. Het project had bovendien een zware fysieke tol voor de deelnemers. 44 Congolezen werden ziek ten gevolge van de bootreis of hun verblijf in Antwerpen. Zeven van hen lieten het leven: Bitio, Sabo, Isokoyé, Manguesse, Binda, Mangwanda en Pezo. Ze werden allemaal tussen de 17 en de 31 jaar oud en liggen begraven op het Schoonselhof.

Rol van het KMSKA

De vraag naar hoe het KMSKA zich tot de Wereldtentoonstelling van 1984 verhield, dringt zich op. 

 

Fig. 4 – De omlijsting van het voormalige aquarium aan de noordkant - KMSKA
Fig. 2 - Lichtgravure van het Congopaviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1884 - Th. Latin, Rijksmuseum.

Op de plattegrond van de Wereldtentoonstelling staat het museum aangeduid als ‘aquarium’ (no. 118). Op een foto van het namaakdorp (figs. 2-3) zien we rechts voor het museumgebouw een bordje dat de ingang hiervan aangeeft. In de kelders waren tropische vissen te zien in speciaal gebouwde visbakken. De omlijstingen van twee hiervan worden tot op vandaag bewaard (fig. 4). De kelders van het KMSKA waren dus onderdeel van de Wereldtentoonstelling.

Er lag ook een plan op tafel om de bovenzalen bij het evenement te betrekken. Baron de Vinck-de Winnezeele stelde voor om er hedendaagse ivoorsculpturen te tonen. Het museumbestuur weigerde om logistieke redenen. In de zalen die de baron voor ogen had, presenteerde het museum al gravures van Rubens’ oeuvre. Daarom week het programmaonderdeel uit naar het Congopaviljoen.

Uit dit laatste verhaal blijkt het initiatief voor de betrokkenheid van het KMSKA bij de Wereldtentoonstelling buiten het museum werd gelanceerd. Een brief vanuit het museum aan de stad Antwerpen suggereert hetzelfde voor de aquaria. In het schrijven wordt geklaagd over een grote stank en gewezen op lekken die blijvende schade zouden veroorzaken.

Het KMSKA zat dus niet aan het roer tijdens de Wereldtentoonstelling, die georganiseerd werd door een NV gesteund door het Antwerpse stadsbestuur. De inrichting van de mensenzoo gebeurde bovendien door het bestuur van Congo-Vrijstaat, geleid door Leopold II. Niettemin maakt de mensenzoo deel uit van de geschiedenis van het KMSKA. We betreuren dit pijnlijke verhaal ten zeerste. Vandaag zouden we ons verzetten tegen zo’n inhumaan project. We werken aan een studiedag in 2024, 130 jaar na de Wereldtentoonstelling. We willen dan de slachtoffers te herdenken en hun geschiedenis een plaats te geven in de toekomst.

Minder schone verhalen

Een museum vertelt verhalen. We laten tentoongestelde kunstwerken met elkaar in dialoog gaan en duiden de collectie via diverse kanalen. Wie vertelt maakt keuzes. De eerste reflex is hierbij vaak om de minder schone verhalen onbesproken te laten.

De koloniale geschiedenis manifesteert zich ook in de verzameling van het KMSKA, maar deze verhaallijn werd nooit eerder in kaart gebracht. Het deel dat volgt geeft hiertoe een eerste aanzet. Soms worden stukken die al lange tijd in het depot vertoeven in de kijker gezet. Soms worden objecten op zaal door een andere bril bekeken. De bedoeling is om de aandacht te vestigen op de verwevenheid van het verleden van het KMSKA, Antwerpen en Congo. Onverbloemd.

De Diana van Dupon is het enige van de hierna aangehaalde werken dat momenteel tentoongesteld wordt en een tekstlabel heeft. We hebben de koloniale achtergrond van dit werk al geduid op zaal. We verwijzen naar deze tekst en onze gidsen voor de omkadering van de overige kunstwerken. We zullen de communicatie over het koloniale verleden in de nabije toekomst uitbreiden.

Koningen Leopold I&II bovenregsiter De Keyserzaal
Fig. 5 – Detail van de De Keyserzaal met de beeltenis van Leopold II - Nicaise De Keyser, KMSKA

Congo Vrijstaat (1885-1908)

Aanknopingspunten naar een koloniaal verhaal zitten soms in een onverwachte hoek. De De Keyserzaal, onze monumentale trappenhal, is hiervan een voorbeeld. We vinden er een grote schilderijenreeks van Nicaise De Keyser (1813-1887) die Antwerpse kunstenaars verheerlijkt. In totaal zijn er 175 verschillende portretten in verwerkt. Dat van Leopold II (fig. 5), boven de deur op het bordes, trekt daarom niet meteen de aandacht.

Deze afbeelding van Leopold II diende oorspronkelijk niet als koloniale propaganda. De Keyser maakte zijn reeks in 1872 voor de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waar de verzameling van het KMSKA oorspronkelijk was ondergebracht. Leopold II was op dat moment geen koning van Congo-Vrijstaat, enkel van België. Vandaag wordt het portret van de vorst begrijpelijk wel met zijn Congopolitiek vereenzelvigd in de publieke beleving. Van 1885 tot 1908 was Congo-Vrijstaat privaat eigendom van de Leopold II. Zijn autocratische bewind werd gekenmerkt door het gebruik van geweld en dwangarbeid.

De koning, zijn nazaten, en later de Belgische staat gebruikten kunst en cultuur om het beleid in de kolonie te verheerlijken. Enkele objecten en kunstenaars in onze verzameling houden verband met deze projecten.

Een voorbeeld is Thomas Vinçotte (1850-1925). Hij beeldhouwde vele afbeeldingen van de Belgische vorst, waaronder een buste die nu in het depot staat (fig. 6). De kunstenaar kreeg ook verschillende opdrachten voor werken die de Congopolitiek van Leopold II vergoelijkten. In 1912 ontwierp hij het Monument voor de Pioniers van Belgisch Congo voor het Brusselse Jubelpark. Dit tracht de kolonisatie van Congo, die toen al een bedenkelijke reputatie had, te kaderen als  beschavingswerk. Ook het verhaal dat België de Congolezen van de Arabieren bevrijdde door de kolonisatie werd hier herhaald.

Ook de twee kenmerkende strijdwagens op de voorgevel van het KMSKA zijn van Vinçotte’s hand. In 1905 maakte Vinçotte samen met beeldhouwer Jules Lagae nog een bekende wagenspan. Die bekroont de centrale arcade van de Triomfboog in het Brusselse Jubelpark. Leopold II nam het initiatief voor dit monument en financierde het onder meer met Congolese fondsen.

Fig. 6 – Leopold II, koning der Belgen - Thomas Vinçotte, KMSKA
Fig. 7 – Kunst en schoonheid - Emile Vloors, KMSKA

Emile Vloors (1871-1952) werkte ook mee aan de Triomfboog. Hij ontwierp in de jaren 1920 samen met vijf andere kunstenaars een reeks van 36 mozaïeken voor de zuilengalerij rond het centrale bouwwerk. Het onderwerp was ‘de verheerlijking van het vreedzame en heldhaftige België’. De kunstenaars lieten de gekende koloniale brutaliteiten die de bouw van het complex mogelijk maakten dus buiten beeld.

Vloors bedacht de zes scenes die ‘het intellectuele leven’ van de natie bezongen in het Jubelpark. We tonen de ontwerpen voor Kunsten (inv. 3798, leeszaal) en Kunst en Schoonheid (fig. 7).

De beeltenis van Leopold II keert geregeld terug in een minder bekend deel van de collectie, de medailleverzameling. Deze werd in de vroege twintigste eeuw aangelegd om belangrijke personen en gebeurtenissen te herinneren. Vandaag zitten de medailles allemaal in het depot.

Een merkwaardige medaille van de vorst binnen deze context is die van Fernand Dubois (fig. 8). Deze werd in 1894 geslagen voor het Congopaviljoen op de Wereldtentoonstelling dat jaar. Voor een hedendaagse kijker roept de medaille vooral de associatie op met de mensenzoo en de zeven dodelijke slachtoffers daarvan. Toen het KMSKA dit stuk verwierf binnen een herinneringscultuur was dit blijkbaar niet het geval.

Fig. 8 – Leopold II, Koning der Belgen. Geslagen voor de Wereldtentoonstelling Antwerpen, afdeling Congo in 1894 - Fernand Dubois, KMSKA
Fig. 9 – Diana - Josuë Dupon, KMSKA

In 1900 ging er 336 ton Congolees ivoor door de Antwerpse haven. Leopold II schoof ivoor graag naar voor als te bewerken materiaal voor sculpturen, wat Josuë Dupon (1864-1935) ook deed met zijn Diana. Dat ivoor enorm dierlijk leed en conflicten veroorzaakte in Congo, is de gruwelijke keerzijde van Dupons sierlijke sculptuur.

Dupon behoorde tot een select clubje beeldhouwers uit de omgeving van de vorst. Hij was een leerling van Vinçotte en een goede vriend van Lagae.

Belgisch Congo (1908-1960)

Vanwege de wreedheden annexeerde België Congo-Vrijstaat in 1908 onder internationale druk. Vanaf dan zou het Ministerie van Kolonieën vanuit Brussel toezien op het gebied. Een nieuw Koloniaal Charter verbood dwangarbeid, maar deze praktijk duurde gewoon verder.

De erfgenamen van Louis Franck (1868-1937), de tweede minister van Koloniën, schonken ons zijn portret (fig. 10) door Walter Vaes (1882-1958).

Naast zijn politiek ambt was Franck nauw betrokken bij de werking van het KMSKA. Hij zetelde in de museumcommissie en was daarnaast lid van verenigingen als Kunst van Heden, dat hedendaagse kunst promootte.

Uit de periode van Belgisch Congo dateren ook enkele werken met echo’s van Congolese kunst. Kunstenaars uit een eerdere periode – zoals Vinçotte en Dupon – schikten zich naar klassieke Europese schoonheidsidealen.  Later vonden ze vaak inspiratie bij andere culturen. Zo zorgden Afrikaanse maskers bijvoorbeeld voor een omwenteling in Picasso’s beeldtaal.

Fig. 10 – Louis Franck, minister van Staat - Walter Vaes, KMSKA
Fig. 11 – De kapmantel - Oscar Jespers, KMSKA

Voor Belgische kunstenaars was Congo de vanzelfsprekende poort naar nieuwe vormen. Ze hoefden hiervoor niet naar Congo te reizen. Sinds 1897 was er een koloniaal museum in Tervuren. Het latere Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) kreeg in 1910 een groot nieuw gebouw voor de groeiende collectie maskers, sculpturen, wapens en gebruiksvoorwerpen, vaak geroofd uit Congo. Beeldhouwer Oscar Jespers (1887-1970) liet zich inspireren door bezoeken aan deze verzameling. De haarpartij van een houtsculptuur door de Congolese Luba inspireerde mogelijk De kapmantel (fig.12).

In het KMMA was ook werk van Belgische kunstenaars te zien, waaronder dat van Jespers. In 1922 maakte hij op verzoek van het Ministerie van Koloniën, toen onder leiding van Franck, Zwarte vrouw met kruik voor de collectie. Dit was een belangrijke opdracht voor Jespers. Hij kreeg 30.000 Belgische Frank voor het bronzen beeld, in die tijd een reusachtig bedrag voor een kunstwerk. Het geld kwam uit de Congolese staatskas. De Kapmantel werd ter vergelijking voor 6.500 Belgische Frank verkocht.

Schilder Floris Jespers (1889-1965), Oscars broed, verbleef verschillende keren in Congo in de jaren 1950. Dit veroorzaakte een kentering in zijn late oeuvre. Congolese figuren, zoals Afrikaanse Vrouw (fig. 14), spelen erin de hoofdrol. Zijn nieuwe werk kon in België op veel applaus rekenen. Jespers kreeg ook verschillende opdrachten voor muurschilderingen in openbare gebouwen in koloniaal Congo. In opdracht van het Ministerie van Koloniën maakte hij tenslotte een groot schilderij voor het Congopaviljoen op Expo ’58, de laatste Belgische wereldtentoonstelling waar een mensenzoo te zien was.

Fig. 12 – Afrikaanse vrouw - Floris Jespers, KMSKA
Fig. 13 – Hoofd van een vrouw - Anonieme meester, KMSKA

De brieven van Floris Jespers getuigen van een superioriteitsgevoel tegenover het Congolese volk dat gebruikelijk was bij kolonialen. Niettemin beschouwde Jespers Congo en zijn kunst als een deel van zijn artistieke persoonlijkheid. Hij eigende zich het land toe. Letterlijk. Volgens een krantenartikel dat bij zijn overlijden verscheen werd Jespers op het Antwerpse Schoonselhof begraven in Congolese grond die hij had overgebracht.

Als laatste zijn er twee Afrikaanse stukken die tegen de verwachtingen in deel uitmaken van de KMSKA collectie (fig. 15 en inv. 3241, depot). Ze werden nagelaten door de erfgenamen van Camiel Huysmans (1871-1968), de socialistische burgemeester van Antwerpen. Huysmans bezocht Congo in 1951. Mogelijk bracht hij deze ebbenhouten sculptuur van een vrouwenhoofd toen mee terug. Dit type werd in grote hoeveelheden gemaakt voor de Europese markt.

Onderzoek: Koen Bulckens

We konden dit werk enkel verrichten dankzij de verrijkende input van verschillende experts. We bedanken hiervoor dr. Bambi Ceuppens (KMMA), Leen De Jong, prof. dr. Idesbald Godeeris (KUL), prof. dr. Ulrike Müller (UA), dr. Els De Palmenaer (MAS), Guy Poppe en prof. dr. Ilja Vandamme (UA).

Onze bijzondere dank gaat uit naar prof. dr. em. Frans Buelens (UA), die nauwgezet onze schenkerslijst evalueerde, Nadia Nsayi (KMMA), die veelbetekenende blinde vlekken in ons verhaal over de Wereldtentoonstelling van 1894 blootlegde, en prof. dr. Guy Vanthemsche (VUB), die ons hielp enkele historische dynamieken scherper te verwoorden.

 

 

Geraadpleegde literatuur

Inventaris Onroerend Erfgoed (online)

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Bijzondere commissie belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat (1885-1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962), de impact hiervan en de gevolgen die hieraan dienen gegeven te worden, rapport 17 juli 2020.

Els De Palmenaer (ed.), 100 x Congo. Een eeuw Congolese kunst in Antwerpen (exh. cat. Museum aan de Stroom, Antwerpen), Kontich: BAI, 2020.

Leen De Jong (ed.), Schenkingen aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. 1818-2018, Gent: Lannoo, 2020.

José Boyens, Oscar Jespers, beeldhouwer en tekenaar, 1887-1970. Met een geïllustreerde, kritische en gedocumenteerde catalogus van de beeldhouwwerken, Wormerveer: Uitgeverij Noord-Holland, 2013

Bram Van Oostveldt en Stijn Bussels, ‘De Antwerpse wereldtentoonstelling van 1894 als ambigu spektakel van de moderniteit’, Tijdschrift voor Geschiedenis 125 (2012), 4-19.

Guy Vanthemsche, Belgium and the Congo, Cambridge: Cambridge University Press, 2012.

Leen De Jong (et. al), Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Een geschiedenis 1810-2007, Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2008.

Frans Beulens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, Berchem: Epo, 2007.

Maarten Couttenier, Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het museum van Tervuren (1882-1925), Leuven: Acco, 2005.

Jean F. Buyck, Retrospectieve Floris Jespers (exh. cat. Museum voor Moderne Kunst, Oostende), Antwerpen: Pandora, 2004.

Jacqueline Guisset, Congo en de Belgische Kunst, 1880-1960 (exh. cat. Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren), Doornik: Renaissance du livre, 2003.

Mandy Nauwelaerts (et. al.), De panoramische droom. Antwerpen en de wereldtentoonstellingen 1885, 1894, 1930 (exh. cat. Bouwcentrum, Antwerpen), Antwerpen: Antwerpen 1993 VZW, 1993.

Jean Stengers, Combien le Congo a-t-il coûté à la Belgique, Gembloux: J. Duculot, 1957.

Fernand Khnopff, ‘the Revival of Ivory Carving in Belgium’, The Studio 4 (1895), 150-51.