De start van een collectie

1382: De Sint-Lucasgilde

De Antwerpse Sint-Lucasgilde groepeert vanaf 1382 schilders, beeldhouwers, glazeniers, borduurwerkers, goud- en zilversmeden. Opvallende namen zoals Jan Brueghel (1602), Otto van Veen (1603) en Cornelis de Vos (1619) komen voor in de ledenlijst. Namen die ook opduiken in de KMSKA-collectie.

Vergaderen en feesten doen de leden van de Sint-Lucasgilde in de Schilderskamer, die ze ook verfraaien met hun eigen werken. Zo schildert Frans Floris in 1556 de patroonheilige Lucas ter versiering van de Schilderskamer. Rubens schenkt zijn De Heilige familie met papegaai in 1633.

Heilige Lucas - Frans Floris, KMSKA
De Heilige Familie met de papegaai - Peter Paul Rubens, KMSKA

1663: Oprichting van de academie

David Teniers II richt een academie op in de schoot van de Sint-Lucasgilde. De academie biedt jonge kunstenaars een totaalpakket van wetenschappen en schone kunsten. Ze krijgen les in perspectief en architectuur, en tekenen naar plaaster en levend model. 

Al snel is er nood aan meer ruimte en al in 1664 verhuizen de gilde en academie naar een vleugel van de Handelsbeurs. Jacob Jordaens, Theodor Boeijermans en vele andere leden zorgen daar voor de rijke inrichting. 

In 1773 wordt de Sint-Lucasgilde ontbonden. De kunstcollectie komt in het bezit van de academie.

Antwerpen, voedster van de schilders, Theodor Boeijermans, KMSKA
Antwerpen, voedster van de schilders - Theodor Boeijermans

1794: Franse kunstroof

In 1794 sluiten de Franse bezetters kerken en kloosters. De kunstwerken nemen ze in beslag, waarbij de belangrijkste stukken naar Parijs gaan. Samen met gestolen kunstwerken uit andere landen stelt Napoleon ze tentoon in het Louvre.

Bij keizerlijk decreet richt Napoleon op 5 mei 1810 het Antwerps museum op. Hij brengt de academie en haar collectie onder in het leegstaande klooster van de minderbroeders in de Mutsaardstraat. De kerk en een deel van het klooster worden ingericht als tentoonstellingszalen. Vandaag huist hier nog steeds de academie.

1815: De gestolen kunstwerken keren terug

Na de Slag bij Waterloo keren de Vlaamse meesters terug naar huis. Triomfantelijk komt een groot deel van de geroofde kunstwerken per stoet op 5 december 1815 aan in Antwerpen. 26 schilderijen, de meeste van Rubens, krijgen een plek in het prille academiemuseum.

In 1817 vermeldt de catalogus 127 nummers  ̶  een kleine collectie, maar van topkwaliteit. Met als kern werken uit de tweede helft van de 16de eeuw en de 17de eeuw, en Rubens als kers op de taart.

1840: Gulle ridder

In 1840 krijgt de collectie een echte boost. Kunstverzamelaar en ridder Florent van Ertborn laat na zijn dood kunstparels na van onder anderen Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en Jean Fouquet. De oud-burgemeester van Antwerpen schenkt maar liefst 144 schilderijen aan het museum in zijn geboortestad.

Aan de eenzijdige samenstelling van de museumcollectie – vooral kunst uit 16de en 17de eeuw - komt daarmee een einde. De meesterwerken dateren uit de 14de, 15de en vroege 16de eeuw. Het is een van de grootste legaten ooit in de geschiedenis van het museum. 

Heilige Barbara van Nicodemië - Jan van Eyck, KMSKA
Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen - Jean Fouquet, KMSKA

1851: museum van de academiekers

Na 1850 zetten museum en academie de eerste stappen om een eigentijdse kunstcollectie uit te bouwen. De academie richt het 'Academische Corps' op. Vooraanstaande kunstenaars die toetreden, moeten een werk én een portret afstaan. Dit museum van de academiekers groeit langzaamaan uit tot een echte moderne kunstverzameling met ruim 100 schilderijen, sculpturen, tekeningen en prenten. Belangrijke kunstenaars als Antoine Wiertz, Jean Auguste Dominique Ingres, August Kiss, Alexandre Cabanel en William Adolphe Bouguereau verwerven een prominente plek in de ‘akademische galerij’.

Schilderij Cleopatra van Alexander Cabanel
Cleopatra - Alexandre Cabanel, KMSKA

1873: Een nieuwe afdeling voor moderne kunst

De eerste aankopen van levende kunstenaars doet het museum in 1873 op de Antwerpse Salon. De nieuwe afdeling moderne meesters wordt aangevuld met zes schilderijen van kunstenaars met een band met de academie. Vanaf dan koopt het museum vaker kunst op de officiële salons. De voorkeur gaat uit naar vrij conservatieve en nationale kunst.

 

Een echt kunstmuseum voor Antwerpen

1875: Dromen van een nieuw museum

Al die groei kent een voorspelbaar resultaat: het academiemuseum wordt te klein. De klimaatbeheersing en brandveiligheid voldoen niet langer. De stad gaat luidop dromen van  een nieuw museum voor schone kunsten. Na alle opties te overwegen, valt in 1875 de beslissing om het museum te bouwen op de vrijgekomen gronden op het Zuid, waar ooit de Spaanse citadel stond. Als ook de staat haar steun verleent, kan niets de stad nog tegenhouden.

Bouwplan van de voorgevel van het museumgebouw
Bouwplan van Jean Jacques Winders en Frans Van Dijk. - Archief KMSKA

1877: “Prijskamp voor het oprichten van een Museum van Schoone Kunsten”

Het Antwerps stadsbestuur schrijft een wedstrijd uit. Geen ontwerp overtuigt volledig. De stad vraagt uiteindelijk de jonge architecten Jean Jacques Winders en Frans Van Dijk om van hun afzonderlijke ontwerpen één plan te maken. Met alles houden ze rekening: grandeur, functionaliteit en veiligheid.

Het nieuwe museum is een vrijstaand gebouw met zalen hoog boven de grond. Door die ingrepen is er een brandveilige afstand tussen kunst en woonwijk, en kan wateroverlast niet tot bij de kunstwerken. De architecten gaan nog verder: in het midden van het gebouw bouwen ze een brand- en bomvrije kelder. 

Bovenal is het museum een daglichtmuseum met variatie van lichtinval nodig voor beeldhouwwerken en schilderijen. Ramen in de zijgevels belichten de beelden op de bel-etage, daklicht de schilderijen op de bovenverdieping.

1890: Opening

Na zes jaar bouwen openen de deuren op 11 augustus 1890. Burgemeester Leopold De Wael maakt er samen met het gemeentebestuur een groot feest van. Na een officieel deel op het stadhuis - met de nodige notabelen, schilders en beeldhouwers - trekt het gezelschap in kleurrijke stoet naar het museum. In het museum krijgen de genodigden een somptueus banket voorgeschoteld.

1905: De triomf van de kunst & Kunst van Heden

Aannemer G. van Bergen hijst samen met een tiental mannen de wagenspannen van Thomas Vinçotte naar boven. Deze wagens met vier paarden en twee menners symboliseren de triomf van de kunst. Sinds hun plaatsing vormen ze bij uitstek het symbool van het museum.

De Antwerpse familie Franck moeit zich ondertussen met de museumcollectie. Spilfiguur François Franck richt de vereniging Kunst van Heden op en zet iedereen in zijn netwerk aan om kunst te kopen en te schenken aan het museum. Via aankopen en schenkingen vult het museum in 1905 zo de collectie aan met belangrijke moderne stukken: van Belgisch impressionisme tot Vlaams expressionisme. Met James Ensor, maar ook Marc Chagall en Jules Schmalzigaug.

 

Oorlog en renovatie

1914: De Eerste Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog neemt het museum onmiddellijk drastische maatregelen. Het museum en de tuin gaan op slot. Het personeel brengt alle kunstwerken naar de bomvrije kelder. Ook kerken en ander openbare instellingen mogen hun kunstwerken hier in veiligheid brengen. Even overweegt men een veldhospitaal in te richten in de lege zalen. Uiteindelijk frissen de medewerkers de zalen op. Net op tijd, want in 1915 geeft de Duitse bezetter de toelating om het museum te heropenen. Wel alleen de afdeling moderne kunst. De oude meesters blijven veilig in de kelder.

1925: Het museum is te klein

De ontwikkeling van het gebouw hangt nauw samen met de groei van de museumcollectie. Nog geen veertig jaar na de opening is het museum al te klein. Vier binnenkoeren worden overdekt om zo extra zalen te creëren. De ramen aan de binnenkant verdwijnen en de galerijen tovert men om tot echte museumzalen.

1940: Het museum in de Tweede Wereldoorlog 

Een beveiligde kelder is niets zonder een breder rampenplan. Daarom zitten in de centrale zalen vanaf de ontwerpfase luiken in de vloer. Via deze weg kan het museum kunstwerken voorzichtig naar de kelder takelen. Bij het uitbreken van WO II laat het personeel vele schilderijen opnieuw in de kelder zakken.

Dat houdt uiteraard de dreiging niet tegen. Op 13 oktober 1944 om 9.45 uur valt de allereerste Duitse vliegende bom op Antwerpen, net naast het museum. Ze maakt 32 slachtoffers. Het museum en enkele kunstwerken zijn zwaar beschadigd. De glazen daken breken in duizenden stukken. De herstelling van de oorlogsschade duurt jaren. 

Bij de oorlogsdreiging begint het museumpersoneel schilderijen neer te laten in de beveiligde kelder. - KMSKA Archief
Inslag van een V-bom op de hoek van de Karel Rogierstraat en de Schildersstraat. - KMSKA Archief

De eerste blockbuster

1976-1977: Het Rubensjaar

In 1977 organiseert Antwerpen een groots opgezet Rubensjaar waar heel ondernemend Antwerpen aan deelneemt. Het museum mag uiteraard niet achterblijven. Alleen bevindt het gebouw zich in slechte staat en is het niet klaar om de moderne bezoeker te ontvangen. Er is bijvoorbeeld geen elektrische verlichting in de zalen. Op 3 augustus 1976 start een grootschalige renovatie.

Een jaar later is het museum klaar voor de meest omvangrijke en veelzijdige expositie van alle initiatieven. Het publiek smaakt de expo én de renovatie. Met 625.000 bezoekers kan het museum spreken van een echte blockbuster, zelfs naar huidige standaarden. 

In 1976 werden ‘de paardjes’ van het dak gelaten tijdens de renovatie. - KMSKA Archief
Aanschuiven voor de Rubenstentoonstelling in 1977. - KMSKA Archief

1989: Rik Wouters

In 1989 schenken baron Ludo van Bogaert en zijn vrouw Marie-Louise Sheid hun aanzienlijke Rik Wouters-verzameling aan het KMSKA: 13 schilderijen, 8 beelden, 36 tekeningen en aquarellen. Naast de belangrijkste Ensor-collectie ter wereld heeft het museum nu ook de grootste Wouters-verzameling. 

Het zotte geweld (torso) - Rik Wouters, KMSKA
Lezende vrouw - Rik Wouters, KMSKA

1999: Een plein met kunst

Het museum staat visueel nogal op een eiland. Het Antwerpse stadsbestuur laat daarom het plein voor het museum heraanleggen naar ontwerp van Paul Robbrecht en Hilde Daem, in samenwerking met Marie-José van Hee. Een sculptuur van Josuë Dupon en vier koppen van Rodin, afkomstig van het verdwenen Loosmonument, geven een voorsmaakje van de kunst binnen. Een zitbank van Ann Demeulemeester nodigt uit tot ontmoeting, Diepe Fontein van Cristina Iglesias tot meditatie.

 

Toekomstgerichte grandeur

2003: Een masterplan voor het KMSKA

Vlaams bouwmeester bOb Van Reeth lanceert op initiatief van de Vlaamse overheid een open oproep voor een masterplan van het KMSKA. De opdrachtgever vraagt een actualisering van het museumgebouw in overeenstemming met de behoeften van de 21ste eeuw.

Het Rotterdams KAAN Architecten krijgt in 2006 de opdracht om het masterplan op te stellen. KAAN architecten kiest voor een indrukwekkende make-over, van 19de-eeuws museum tot een toekomstgericht museum.

2011: Grootse verbouwing

In het najaar van 2011 start de nieuwe verbouwing als realisatie van het Masterplan van KAAN Architecten. Het historische gebouw krijgt zijn grandeur terug. In de kern staat een gloednieuw museumvolume. De ruimtebeleving en het lichtspel in het nieuwe gebouw zijn overdonderend.